woensdag 8 juni 2011

Beroepen

Van de in het Dorp uitgeoefende beroepen, is een vrij volledige reconstructie te maken. Naast de Schepenakten is een overzicht uit het boek van E. Muller en K. Zandvliet "Admissies als Landmeter in Nederland voor 1811" (1987) gebruikt. Daarnaast leverden de Kerkrekeningen nuttige gegevens op. Voordeel van de laatste bron is, dat de "beroepsopgaven" (meestal in de vorm van toenamen) te controleren zijn aan de hand van specifieke leveringen. De Schepenakten maken dat maar zelden mogelijk.

Het verbaast niet, dat de volgende lijst (minstens) een bakker, chirurgijn, dekker, kleermaker, metselaar, molenaar, predikant, smid, timmerman, wever, wagenmaker, en winkelier voorkomen. Wel trekken de advocaat, arts, dijkgraaf, landmeter, en raadsheer meteen de aandacht. Toch is het niet zo uitzonderlijk, dat een handvol hoger opgeleiden in Wemeldinge woonde. Zij kwamen, gelet op de namen, vooral uit de schepenfamilies. Dit milieu gaf hun zonen vaak een uitstekende opleiding. Minstens tot de Latijnse School. C. Dekker geeft daar, voor het Wemeldinge voor 1600, wat voorbeelden van.
Opvallend blijven wel de bierstekers, herbergiers, tappers, en schippers. Daarnaast ontbreken enkele beroepen vreemd genoeg. Zoals een schilder, schoenlapper, slager. Vooral de laatste twee punten vragen een verklaring.

Uit de Kerkrekeningen blijkt wel, dat er in Wemeldinge door diverse gemeenteleden schilder- en pleisterwerk werd uitgevoerd. Dat wijst erop, dat meer mensen in het Dorp die vaardigheden hadden. Vaklieden konden hier met dit werk dan waarschijnlijk hun brood niet verdienen. Hetzelfde geldt voor de slagers. Er zal veel huisslacht geweest zijn. Dan werd (zoals lang gebruikelijk op het platteland) lang niet altijd een vakslager te hulp geroepen. Schoenlappers waren er in Wemeldinge tenslotte wel. Maar wie dit vak in de 17e eeuw in het Dorp precies uitoefenden, is niet goed vast te stellen.
De grens tussen bierstekers, herbergiers, schippers, en tappers is vloeiend. Een biersteker kan puur handelaar zijn, maar (zelfs tegelijk) ook tapper. Een herbergier combineert het cafebedrijf met een logement. Schippers zorgden in deze tijd voor de aanvoer van bier (en andere waren). Met een dergelijk transportbedrijf was kennelijk, net zo goed als met bijvoorbeeld smids- of timmerwerk, (goed ?) brood te verdienen.

[Update 25 juni 2011]

In de eerste helft van de Gouden eeuw was bier nog de basisdrank. In tapperijen werd toen ook zeker brandewijn geschonken. Wijn was duur. Dat werd daarom vooral gedronken in rijkere kringen. Toch zag een enkeling in Wemeldinge (terecht ?) wel handel in dit luxe-artikel. In RAZE 3598, fol 81v (10-4-1677) komt bijvoorbeeld de volgende passage voor:

"Compareerde Willem Jansen, [...] de welcke heeft gecedeert [verpand] aan d'hr. Heindrick van Coppernolle de beteringhe en bate [overwaarde] van de helft scheijdinghe [bij erfenis verdeelde helft] van een huijs met sijn gevolch [...], waer jeghens den voors. [hiervoor vermelde] Heindrick van Coppernolle hem [aan hem] Willem Jansen sal op sijne rekeninghe laten valideren [overmaken] de somma van ontrent [ongeveer] 200 gulden over Coop van wijnen."

Tenslotte nog iets over de aanvoerroute voor het bier. C. Dekker en G.J. Lepoeter * verschillen hierover wat van mening. De laatste neemt volgens Dekker aanvoer aan via een haven N van Wemeldinge (bij de Val). Hij bestrijdt dat, en wijst erop, dat in die hoek de Couwerherbergh niet was, wel de resten van de polders  Sichuit en Stormezande. Door het voorland (schorren) zou bieraanvoer daar moeilijk geweest zijn.
Waarschijnlijk hebben beide auteurs gewoon gelijk. De twee verschillende opvattingen sluiten elkaar niet uit. Aannemelijk is, dat de aanvoerhaven (midden 17e eeuw, na de grote dijkval bij Stormezand ?) verplaatst werd van de hoek van de Koudenpolder (Couwerherbergh) naar de Val.

In RAZE 3595, fol 48 (23-2-1630) wordt de plaats van een Bierwech vrij precies aangegeven, als "bij Mars. Coolens ende de Rondoute [het redout] ofte wachthuijs op Kouwerherberghe".
Die gegevens worden in fol 49v (27-4-1630) herhaald, met de toevoeging, dat daar ook de "Bierapperel" [Bieroprit naar de dijk] was. In RAZE 3597, fol 22v (14-11-1641) wordt gesproken van een "Biercreecke" in de polder van Stormezand. In fol 63v (1-6-1647) tenslotte, helaas wat vaag, nog over "een eynde dijcks [...] geleghen achter dese dorpe tussen den 1sten ende tweeden [!] Bierwegh".  De "Tegenwoordige Staat" (1741, eerder geciteerd) plaatst de bierhaven later ook onmiskenbaar N van Wemeldinge.
Het volgend kaartje (GA Goes, TK 022) is voor de (vroegere ?) route via Couwerherbergh duidelijk.


* C. Dekker, "Een Zeeuws Dorp in de Middeleeuwen" (2007), p. 165, voetnoot 57. Hij verwijst daarbij naar
G.J. Lepoeter en J. C. de Groene, "Wemeldinge: historie van een dorp tussen Kerk en Kanaal" (2005).

dinsdag 7 juni 2011

Verkopingen

In de Schepenakten komen verschillende soorten verkopingen voor. In RAZE 3622 lijkt het erop, dat soms vooral de familie bood. Openbare verkoop kan dan een manier geweest zijn om, uit een nalatenschap met meer schulden dan bezittingen, toch wat stukken met hoge (gevoels)waarde in de familie te houden. Voorbeeld is de verkoop van goederen nagelaten door Hans Jansen Wever, fol 7 (6-2-1641). Soms blijkt wel uit een gevarieerder namenlijst, dat bij die verkoping door een breder publiek werd geboden. Dan gaat het meestal ook om mooie en interessante stukken. Voorbeeld daarvan is de boedelverkoop van Lijsbeth Coenraets, huisvrouwe in haer leven van Geerard Francke de Vos, fol 26, Bamisse 1643 dach (1-10-1643).

Volledige boedels werden in delen verkocht. Eén koopdag voor het onroerend goed, een andere voor de meubels en verdere inventaris, een derde voor het vee.
De voorgenomen verkoop en de condities, moesten te voren worden aangekondigd. Dat gebeurde in de 17e eeuw door de rouper (dorpsomroeper) en met aanplakken van biljetten. Niet duidelijk is, of de verkopingen ook nog (zoals eerder gewoonte was) op drie opeenvolgende zondagen in de kerk werden afgekondigd.
De verkoopcondities waren min of meer standaard. Afwijkende condities werden in het Schepenboek vastgelegd. Die akte kon dan later weer als model gebruikt worden. Daaronder kwam de naam van de koper, met de betaalde prijs. Hieronder een voorbeeld (alleen het eerste blad) voor de verkoop van een huis in het Dorp.
Gebruikelijke bepalingen waren:
  • Onroerend goed gaat over, met alles wat aard- en nagelvast verbonden is
  • De koper betaalt de belasting en alle verdere wettelijke onkosten
  • De verkoper mag beslissen wie koper wordt, alle bieders blijven zolang gehouden aan hun bod
  • Meestal moet een eerste deel van de koopsom meteen worden betaald (gereet ter leveringe), ook komt het wel voor, dat latere betaling wordt toegestaan (eerste Meije, Bamis, of  St Catherijnedach)
  • Doorgaans wordt betaling in een redelijk aantal termijnen (paeyen) toegestaan (bijvoorbeeld acht maal 2 Pd Vls, met slotbetaling van Pd 1.10 Vls, totale koopsom Pd 17.10 Vls)
  • De koper dient voldoend kapitaalkrachtige borgen te stellen, dat naar beoordeling van de verkoper
  • De verkoper mag elke borg afzonderlijk aanspreken voor het volle bedrag
  • Het gebruik gaat bij de verkoop onmiddellijk over, zoals het goed vroeger gebruikt werd
  • Derden behouden dus hun oude rechten, als die er waren (zoals lopende pacht, of recht van overpad)
  • De eigendom gaat pas over op de koper na volle betaling van de verkoopprijs
  • Bij wanbetaling mag de verkoper de transactie alsnog ongedaan maken (hij houdt hypotheek)
  • Bovenop de koopprijs etc betaalt koper nog enkele kleine heffingen (voor verkoper, rouper, armen, maken en zegels van de biljetten, schrijven van de conditie)
Het kwam nog wel eens voor, dat een huis op een verkoping onmiddellijk werd doorverkocht, tegen dezelfde, of een hogere prijs. In de bundel RAZE 3597 zijn vier mogelijke gevallen geteld:

  • Fol 89 (25-2-1651). Prijzen resp. Pd 108 en 133 Vls.
  • Fol 128 (17-3-1656). Deze transcriptie is niet duidelijk. Er worden twee verkochte huizen genoemd, op dezelfde plek. Het ene ging van de hand voor Pd -.36.4 (?) *, het andere voor Pd 60 Vls.
  • Fol 130 (2-6-1656). Doorgeleverd op dezelfde conditie, prijs niet genoemd.
  • Fol 135 (27-4-1657). Prijzen resp. Pd 63 en 72 Vls.
* Vermoedelijk moet dit Pd 36.4.- Vls zijn.

maandag 6 juni 2011

Schulden

In Wemeldinge werden volgens de Schepenakten 1625 - 1636 (RAZE 3595 II) 472 zaken bij schepenen afgehandeld. Hiervan hadden er 76 (16%) rechtstreeks betrekking op een schuld. Doel was meestal, de schuld schriftelijk vast te leggen. Daarmee kregen de rechthebbenden een middel, om zo nodig hun rechten te bewijzen. Daarnaast maken nog eens 9 (2%) verkoopakten melding van een restschuld.

De genoemde cijfers maken duidelijk, dat lang niet elke week een schepenzitting werd gehouden. Verder was schriftelijke vastlegging van een schuld blijkbaar vrij uitzonderlijk.

Een eigen analyse van de schepenzaken laat zien, dat er geen vaste zitdagen waren. In deze periode was de zitting vooral op zaterdag. Later (1658 - 1697) meestal op vrijdag.
De akten vermelden lang niet altijd precies, wat de schuldoorzaak was. Het onderdeel “ter causse van” in de akte werd nogal eens weggelaten. Uit de omschrijvingen is wel op te maken, dat het vrij vaak ging  om een schuld aan erfgenamen. Voogden stelden zich borg, of gaven onderpand daarvoor. Verder werden handelsschulden nogal eens vastgelegd. Bijvoorbeeld voor levering van bier, aankoop van een schuit, arbeidsloon en materialen voor het bouwen van een huis. In enkele gevallen was er kennelijk sprake van geldnood. Dan werd een lening verstrekt en uitbetaald, of een rentebrief verzilverd. Soms was er duidelijk sprake van een betaalachterstand voor belasting, levering, huur, of pacht. Dat laatste is meestal nog af te leiden uit namen en kwalificaties van partijen. Als schepenen handelden in opdracht van  derden, werd dat altijd uitdrukkelijk aangegeven. Soms waren baljuw, deurwaarder, of rentmeester schuldeiser. Ook de ambachtsheer wel eens, bijvoorbeeld voor achterstallige erfpacht op vronen. In een heel enkel geval blijkt, dat beslag werd gelegd, of gedwongen moest worden verkocht.

De schuld was gemiddeld ongeveer Pd 50 Vls, met uitschieters naar bedragen tussen Pd 100 en 200 Vls (16%). Zelfs nog naar iets boven de Pd 400 Vls (3%). Het bedrag was uiteraard sterk afhankelijk van het soort object. Huur- en pachtschulden bleven meestal wel onder de Pd 10 Vls per jaar. Voor de aankoop van huis, land, of hoeve, kon de schuld een veelvoud daarvan bedragen (maar doorgaans toch ook niet meer dan Pd 50 Vls). De uitschieters hadden andere oorzaken. Bijvoorbeeld aankoop van een schuit (Pd 48 - 192 Vls). Eén van de topbedragen betrof een schuld aan erfgenamen.

Gebruikelijke onderpanden waren:
Een handelsvordering werd meestal vastgelegd in een debiteurenboek. Bijvoorbeeld het bierboek, of het derrinckboek. Voor andere vorderingen werd een schuldbrief (obligatie), of een rentebrief (paeybrief) gemaakt. Bij betaling werd de schuld doorgehaald, en vooral voor grote bedragen nog wel eens een kwitantie geschreven. Een voorbeeld daarvan is aangetroffen in RAZE 3598, fol 7 (5-12-1659):

“Extract uit seeckere quijtantie geschreven op papier.

Christiaen Foortsen heeft mij ondergeschreven betaelt in diversche stonden aan gelt en assignatien op Adriaen Maertens Hoijwagen den vollen inhout van den obligatie van twee duisent Carolus guldens, met alle de verloopen jeghens den penn: 16e tot huijden dato deses die verleden is den 24 Jan. 1651 ende alsoo de voorschreven obligatie int ongereede is gerocht, sulcxs dat ick onmachtich ben om d’selve nu over te leveren soo verstaen ick aende selve geen actije of recht te hebben, noijte dat niemand wt cracht vandien heeft te pretendeeren ofte eijsschen maer werd d’selve mits dese gedoot ende vernieticht voor mij ende mijne nacomelinghen. Actum Kappelle den eersten Julij 1658. Was onderschreven [...] vande Steene.”

Deze kwitantie is waarschijnlijk van Rentmeester Benjamijn van de(r) Steene, die optreedt als schuldeiser van Cornelis Lenartsen Soute. RAZE 3597, fol 85v (12-11-1650).
Strekking van deze tekst is, dat Christiaen Foortsen [schepen, in opdracht van Adriaen Maertens Hoijwagen, schuldenaar] een schuld van Gld 2.000 volledig betaald had in geld en wissels aan toonder. Vastgesteld werd, dat de schuldbrief in het ongerede was geraakt. Schuldeiser of zijn nakomelingen zouden, ook als dat stuk nog mocht opduiken, hieraan geen rechten meer ontlenen (dus de schuld voor een tweede keer opeisen).

vrijdag 3 juni 2011

Geld en goed

Gangbaar beeld is, dat onze voorouders vooral in klinkende munt betaalden, en nauwelijks krediet gebruikten. Dat beeld spoort op het eerste gezicht helemaal niet met de Schepenakten van Wemeldinge over 1614 - 1697 (RAZE 3592, 3595 II, 3597, 3598). De meeste akten gaan over levering van onroerend goed. De aanleiding wordt zelden aangegeven. Vermoedelijk meestal een boedelverdeling, of aflossing van een schuld. Want de rest van de aktes betreft vooral erfeniskwesties en schuldregelingen. Een enkele akte gaat over iets anders. Dat zijn wel typische uitzonderingsgevallen. Bijvoorbeeld een accoord over een boedel, een taxatie, een herroeping van een levering, een verklaring onder ede, of op ’s mans eer.
Het betrekkelijk klein aantal transacties (1 - 5 per zitting, zitdag in het begin meestal zaterdag, later meestal vrijdag) geeft toch te denken. Namen en kwalificaties doen vermoeden, dat het grote publiek niet bij schepenen zaken deed. Het beeld van de Schepenakten zal dus flink vertekend zijn.

Rond 1600 waren onder meer de volgende munten in omloop:

Gouden rijder, 202 stuivers
Gouden rosenobel, 153 stuivers
Gouden dukaat, 76 stuivers
Zilveren rijder, 63 stuivers
Zilveren dukaat, 50 stuivers
Leeuwendaalder, 38 stuivers
Florijn, 28 stuivers
Gulden, 20 stuivers
Schelling, 6 stuivers
Groot, 1/2 stuiver
Oord, 1/4 stuiver
Duit, 1/8 stuiver


Alleen de kleinste munten werden veel gebruikt voor aankopen en verteringen. Grotere munten deden vooral dienst om geld op te potten. Als men tenminste kans zag om te sparen.

Beeld uit de Schepenakten is, zoals gezegd, dat veel van de opgetekende leveringen voortkwamen uit verdeling van een erfenis, of aflossing van een schuld.
Voor aankoop van huis of grond werden wel meerjarige schulden aangegaan. Een schuld moest binnen 20 - 25 jaar worden afgelost. Die termijn hield verband met de kortere levensverwachting. De rente lag in de regel rond de 5%.
Een hypotheek (of andere schuld met betalingen in jaarlijkse termijnen) kon bij schepenen worden vastgelegd in een schuldakte, een “schepenpaeybrief”. Een schuld werd meestal afgedekt door borgstelling, of door het geven van onderpand. Het onderpand bestond bijna altijd uit eigen land of huis. Een lijst met handelsvorderingen kon ook als zekerheid worden overgedragen. Dat gebeurde bijvoorbeeld met het derrinckboek van Jan Jacobsen (RAZE 3592, fol 134, 2-2-1618). Volgens de Zeeuwse Keur waren dat eigenlijk illegale verkopen van gedolven darink.

Uit een eigen analyse van de Schepenakten blijkt, dat gangbare prijzen (in orde van grootte) waren voor:

Varken, koe, of paard - Pd 5 - 10 Vls
Akker, van 1 G, met tarwe te velde - Pd 40 Vls
Boomgaard, van 1 G, met plukrijp fruit - Pd 80 Vls
Huis, in het Dorp - Pd 40 tot 100 Vls
Hoeve, met 1 G eigen grond of erfpacht - Pd 50 tot 150 Vls

Op deze indicaties komen grote uitschieters voor. Dat zijn wel hoge uitzonderingen.
De werkelijk betaalde prijs was (begrijpelijk) afhankelijk van algemeen prijsniveau, kwaliteit, en van vraag en aanbod op dat moment. Een mooi rijpaard (met zadel en tuig) kon wel voor Pd 40 Vls van de hand gaan.
De prijs van een stuk land steeg, als de oogst naderde. De prijs van een hoeve nam in theorie toe met de hoeveelheid meegeleverde grond. Een duidelijk verband is niet aantoonbaar.
Het gemiddeld jaarinkomen van een landarbeider (Pd 33 Vls, gelijk aan Gld 200) liet nauwelijks ruimte om dit soort dure eigendommen te verwerven. De Overlopers geven ook aan, dat veel land werd gepacht. Om als koper of pachter in aanmerking te komen, moesten minstens twee kapitaalkrachtige borgen gesteld worden. Eerste borg was meestal de koper zelf. Tweede een kapitaalkrachtig familielid, of goede bekende. Schepenen traden zelf ook wel als borgen op.

Een Pd Vls was, in Euro's van nu, rond € 1.000 waard. Die vuistregel geldt voor de periode 1640 - 1800. Daarvoor lag de waarde veel hoger. In 1600 op € 1.600, in 1620 nog altijd op € 1.400. Tot aan het einde van de Vrijheidsoorlog met Spanje trad dus sterke waardedaling op. Hierna kwamen nog wel schommelingen in koopkracht tussen € 800 en € 1.100 voor. De volgende grafiek laat dat zien. De dunne lijn geeft de waarden met intervallen van tien jaar aan, de dikke de daaruit berekende ontwikkeling (trendlijn).

woensdag 1 juni 2011

Boerenbedrijf (2)

Nog tot ongeveer 1900 werd het boerenbedrijf traditioneel gevoerd. Dit betekende niet, dat de boer geen nieuwe mogelijkheden benutte. In de loop van de tijd werd gebruik gemaakt van nieuwe, of verbeterde, gereedschappen. Ook werden nieuwe gewassen en teeltmethoden ingevoerd. De gemiddelde opbrengst per gemet was in Zeeland veel hoger dan elders. Priester noemt als getallen 20 - 30 hl tarwe per ha. Op dat punt was er weinig ruimte voor verbetering. Bedrijfsvoering naar oud gebruik had het voordeel dat die hoge produktiviteit werd gehandhaafd.

Traditionele bedrijfsvoering betekende in de eerste plaats, dat men nog veel gebruik maakte van menselijke arbeid. Bij alle prijsschommelingen bleven de lonen van meid en knecht tot 1800 ook vrijwel gelijk. Daarna kwam er weer beweging in het loonpeil.
Voor zwaarder werk werd gebruik gemaakt van paarden. Maar niet elke boer bezat zelf één of meer paarden. Vooral de bezitters van een klein lapje grond konden de aanschaf van een paard niet betalen. Dan werd vooral gebruik gemaakt van de arbeidskracht van vrouw en kinderen. Soms werden ook een knecht, een paard en een kar of werktuig gehuurd. In boedelakten is soms een vermet (claim) te vinden voor geleverde “paardearbeyt” Verder is er een lijst bekend waaruit blijkt dat er in 1747 ongeveer 30 bezitters waren van wagens en paarden. Daaronder was de schout en waarschijnlijk nog wat anderen, die het boerenbedrijf niet als hoofdberoep uitoefenden. Rond 1765 waren er volgens de lijst van Lidmaten van de NH Kerk niet meer dan 45 hoeven en andere woningen buiten de dorpskern. Op een volledige lijst van inwoners van Wemeldinge wordt in 1811 maar bij 21 mannen het beroep “cultivateur” (boer of tuinder) genoemd.

Traditionele bedrijfsvoering betekende verder ook, dat gewerkt werd in een stelsel met zeven slagen, waarbij telkens een deel van het land braak werd gelegd. In de braakperiode werd het land diep geploegd om het onkruid te vernietigen. Tegelijk werd daarmee de structuur van de grond verbeterd. Door het geven van een zware mestgift werd de vruchtbaarheid dan ook nog meer op peil gebracht.
Het hoofdgewas in Zeeland was graan. Een traditionele vuistregel, geen “wit op wit”,  verbood het in twee achtereenvolgende jaren telen van een graangewas op hetzelfde stuk land. Ook moesten blad- en stengelgewassen worden afgewisseld. Bij stengelgewassen kreeg het onkruid meer zonlicht en kon niet worden geschoffeld, bij bladgewassen kreeg het onkruid minder kans. Een gebruikelijke gewasopvolging was:

1)       koolzaad
2)       tarwe
3)       erwten
4)       tarwe
5)       paardebonen
6)       rogge
7)       braak

Het graan werd ook met buitengewone zorg geteeld, geoogst en gedorst. Het zaad werd tegen de ziekte “brand” ontsmet in een oplossing van kalk in water. Geoogst werd op een vrij arbeidsintensieve manier, met een korte zeis, de zekel. Elders werd juist wel de zeis met lange steel gebruikt. Voor het dorsen van graan werd een “windmeule” (wanmolen, een apparaat met ingebouwde blaasbalg, die het kaf van het koren scheidde) gebruikt, of de “geeselsteen” (een stuk steen waarop de korrels uit de aar werden geslagen). Een wanmolen zag er als volgt uit.


In Zeeland werd geen gebruik gemaakt van het “dorsblok” (een zware rol, aangedreven door een paard, waarmee bijvoorbeeld in Groningen haver en ook wel graan werd gedorst). De grotere zorg voor de tarwe vertaalde zich niet alleen in een veel hogere opbrengst per gemet, maar ook in een oogst van betere kwaliteit en daardoor ook in een hogere geldopbrengst.

Op het boerenbedrijf werden lange dagen gemaakt. De paardeknecht stond vaak al om vier uur op om de paarden op tijd klaar te hebben staan. De melkmeid kwam er al vroeg uit om te melken.
De dag werd onderverdeeld in vier “schof” (werkperioden tussen twee maaltijden in, eigenlijk de maaltijd zelf). Werklieden werden in het dorp ook wel per schof betaald. De werkdag was minstens 9,5 uur lang. Om zes uur begon de werkdag voor iedereen. Dan was er om half negen voor het eerst schof met brood. Als het kon met boter of kaas, vlees of spek. Bij het eten, en om de dorst te lessen tussendoor, werd bier of melk gedronken. In de tweede helft van de 17e eeuw kwamen thee en koffie op. Om kwart voor negen ging men weer aan het werk. Om elf uur ging men naar huis om te eten. Dat was meestal een warme pot. Soms ook wafels, of platte koeken. Om één uur ging men weer aan het werk. Om half vier was het dan etenstijd. Dan kwam opnieuw brood op tafel. Van kwart voor vier tot zes uur werd er weer gewerkt. Daarna was de werkdag over. Voor het slapen gaan at men nog een bord stevige pap. Pap van griesmeel, havermout, of gort. Anders bier-en-broodspot, of ook wel pap van brood in melk.
Door het jaar heen werd gewerkt volgens het ritme van het seizoen. In de lente werd, als dat nog nodig was,  gezaaid en, zodra het land het vroeg en toeliet, geschoffeld en gewied, of geëgd. In de zomer werd geoogst. In de herfst werd geploegd, gerold, geëgd, gezaaid en weer gerold. Het rollen, met een “rolblok” (een houten roller, als wals), diende om grote kluiten fijn te maken en om het zaaigoed toe te dekken in de voren. Daarna werden de sloten geschoond. In de winter was er weinig te doen. Dan werd onderhoud gepleegd aan de erfscheidingen en opstallen, hout gesnoeid en gekapt.
De oogsttijd was een drukke tijd, maar ook een feesttijd met oude gebruiken. Bijvoorbeeld het oogsten en dorsen van koolzaad verliep volgens een vast ritueel. Het werd begeleid met het zingen van liederen, met gratis eten en drank. Bij het binnenhalen van de oogst werd op de wagen met het laatste voer een groene tak gestoken.
Aan het eind van het werkjaar, tegen de winter, was het ook betaaltijd. Alle nog openstaande rekeningen werden dan vereffend. Dan werd het loon betaald, de huishuur en de pacht. Ook de schulden bij winkelier, smid, dekker, of timmerman en voor verteringen in de herberg werden dan voldaan. Een deel van het gespaarde geld werd prompt besteed op de jaarlijkse kermis. In Wemeldinge vielen betaal- en kermistijd vaak samen op “Bamisse”. De knechten die voor het verdere werk niet meer nodig waren, werden bedankt en ontslagen tot het volgend voorjaar. Soms gingen ze dan de bedeling in. De knechten werden in dienst genomen van 1 maart tot 11 november, twee weken voor St. Catherijnedag. De meiden waren in dienst van 7 mei tot 3 mei. De eerste mei was een gebruikelijke feestdag. Behalve misschien voor de meid, als ze van haar bazin nog niet gehoord had dat ze het volgend jaar weer kon komen.

Boerenbedrijf (1)

Het kleigebied in Zeeland is vanouds bouwland. Hier werd graan, vlas, meekrap, erwten, bonen, en koolzaad verbouwd. In de Schepenakten worden ook voedergewassen genoemd: haver, wikke, paardebonen. Meekrap werd voornamelijk op Schouwen-Duiveland en op Tholen geteeld. Vlas weer meer in Zeeuws-Vlaanderen. P.J. Bouman schrijft in zijn boek “Geschiedenis van de Zeeuwsche Landbouw” (1946, p. 16):

“Op Zuid-Beveland vormden de bouwlanden rondom Goes en in de Oostelijke polders een tegenstelling met het weidegebied in het Zuiden en Zuid-Westen van het eiland. De weilanden lagen voor het meerendeel laag en stonden een gedeelte van het jaar onder water. Goes lag als een bloeiende marktstad en uitvoerhaven in een streek, die aantrekkelijk was door boomgaarden, met iepen beplante binnendijken en akkers waarop overal tarwe, meekrap, vlas en koolzaad werden verbouwd.”

Het begin van de Gouden Eeuw was ook de tijd van  de droogmakerijen. Watermolens werden (als nieuwe uitvinding) daarvoor benut. Mogelijk als gevolg daarvan, daalden de grondprijzen in de tweede helft van de 17e eeuw. De volgende grafiek laat dat zien.


In het algemeen werd op Zuid-Beveland zo’n 40% van het areaal met tarwe bezaaid. Tot 1700 kwam de teelt van meekrap naar verhouding weinig meer voor. In de verkoopakten van land in Wemeldinge (bijna 700 akten uit RAZE 3595 II, RAZE 3597, en RAZE 3598) komt daarom ook maar een enkele keer de vermelding van meekrap voor *, terwijl andere gewassen veel vaker worden genoemd. Er wordt meer dan twintig keer vermeld, dat een stuk grond verkocht werd “met de terwe daerop liggende”. Gerst, koolzaad en vlas worden ook nog wel eens genoemd. Daarbij moet worden bedacht, dat grond bij voorkeur pas na de oogst werd verkocht.

Vlas werd gezaaid op de honderdste dag van het jaar en geoogst weer honderd dagen later. Uit vlas werd linnen, maar ook bijvoorbeeld touw, lijnolie (uit het lijnzaad) en veekoeken gemaakt. De vezels van het vlas zitten als het ware vastgelijmd op de stengel, een holle buis. Als eerste bewerking wordt het vlas van de zaadbolletjes ontdaan. Dat gebeurt door het in bossen samengebonden vlas over een houten blok met pennen (repel) te halen. Met een beukhamer kunnen de stengels tegelijk worden geplet. De volgende bewerking is die van het roten. Daarbij worden de stengels op het land gelegd en een aantal dagen door dauw vochtig gemaakt, of in het water van een rivier of sloot gelegd. Na het roten wordt het vlas op de wei of het land te drogen gezet in hokken, op kapellen of kegels. Hierna wordt het vlas met een houten hamer geplet, gebraakt. Om het vlas te ontdoen van de laatste houtachtige delen wordt het vlas gezwingeld: op een plank de houtresten eraf geschaafd. Het gezwingelde vlas werd in knotten gedraaid en afgewogen per steen, een gewicht van 2,82 kg. De laatste bewerking, vóór het spinnen van het vlaslint, was het opmaken. De topeinden van het vlas werden dan gekamd door die over de hekel (kam) te halen.

Meekrap leverde uit de wortelstokken een rode kleurvaste verfstof. Dit gewas werd vermoedelijk voor 1600 vooral verbouwd in het gebied van Reimerswaal. Vandaar week men, toen dat land verdronk, uit naar Tholen. Meekrap werd in bedden van zo’n 40 cm breed uitgeplant en moest twee tot drie jaar op het land blijven staan. Het eerste jaar werd alleen gewied. Tegen de winter werd aangeaard als bescherming tegen de vorst. Het tweede jaar verliep ook zo. Pas in het derde jaar was het gewas oogstrijp. In dat jaar verdubbelde het gewicht van de wortels en nam de kwaliteit van de verfstof toe. Begin september werd geoogst door geschoolde delvers. Deze groeven de wortels uit en legden die op hoopjes te drogen in de wind, waardoor de wortels wat taaier werden. Na een paar dagen werden de wortels opgehaald met de boerenwagen, de menwagen. Deze was aan de zijkanten opgehoogd met planken, de meeladders. De wortels werden door de boer in een eigen vak van een speciale schuur gebracht. Deze, de meestoof, was verdeeld in vieren: de opslag (koude stoof), de toren, het stamphuis, het ovengedeelte (ast of eest). Op latten zolders in de toren werden de wortels eerst verder gedroogd. Hier was de meedroger de baas.  Hij stookte de oven, regelde de temperatuur en hees met zijn helpers de wortels naar de verschillende zolders. Na het drogen werden de wortels in kleine stukjes geslagen met vlegels. Deze gebroken wortels leverden het halffabrikaat racine (of alizarine). De racine werd verder verwerkt en gedroogd tot hard goed. Dan  volgde nadroging in de eest. De eest had een stookplaats met een kanaal waarop een paardeharen deken lag. Hierop werden de wortels uitgespreid en nog eens 24 uur nagedroogd. De meekrap was dan klaar om gestampt en gezeefd te worden. Het stampen gebeurde vaak met een door paarden aangedreven molen, de rosmolen. Dit gebeurde meestal ’s nachts, omdat men dacht dat daglicht schadelijk was voor de kwaliteit van de kleurstof en ook omdat het poeder bij lagere temperaturen minder vastkleefde aan de stampers. Na het stampen werd het poeder gezeefd en naar kwaliteit in verschillende vaten gedaan. Het product was dan gereed voor verkoop. De lonen voor de arbeiders in de meekrap lagen hoger dan elders. Er werd aan mannen 20 stuivers per dag uitbetaald, de vrouwen moesten het met 12 stuivers per dag doen. Dat waren voor die tijd uitstekende lonen.


Om het land te bemesten werden schapen gehouden die graasden langs de dijken, op woeste gronden en buitendijks op de schorren. Bij vloed trokken herder, hond en schapen zich terug op een vaak aangelegde hoogte, een stelle of stelberg.
Er waren zoveel schapen, dat er zelfs een overschot aan mest was. Die mest werd per boot afgevoerd en ver in het land verkocht. Bekend is bijvoorbeeld dat aan de tabakskwekerijen in de Gelderse Vallei, die hun bloeitijd kenden tussen 1600 en 1800, al vanaf 1580 schapenmest uit Zeeland werd geleverd.

Het boerenbedrijf in Wemeldinge was gemengd bedrijf. Met bouwland, weiland, een moestuin, een fruitboomgaard en een bosje hakhout. De moestuin en een kleine fruitboomgaard voor eigen gebruik waren zo mogelijk vlak bij het huis. Bouw- en weiland lagen in de polder. Het hakhout werd van de gorzen, uit een bosje in Kapelle, of nog van verder weg gehaald.
Lapjes bouwgrond, weiland en bos lagen door elkaar. Bouwgrond kon ook zo nodig omgezet worden in weiland, weiland weer gescheurd tot bouwgrond. Gevolg was, dat de prijs van een gemet bouwland niet veel verschilde van een gemet weiland. Het landschap rond Wemeldinge was door de kleinere bedrijfsomvang en het gevarieerder grondgebruik veel afwisselender dan nu. Hier en daar was het land hollebollig, door het darinck delven van eeuwen geleden. Oude waterlopen, meestal kreekresten, slootjes en greppels doorsneden het land. Bomen omzoomden de dijken en wegen. De wegen waren meestal niet meer dan karresporen. Vaste routes van en naar het land voor al de gebruikers in een bepaald gedeelte van de polder.
Het boerenbedrijf vormde de kern van de Wemeldingse gemeenschap. Ook enkele ambachtslieden, zoals de wagenmaker en de smid, waren vooral afhankelijk van opdrachten uit die hoek.

* RAZE 3595 II, fol 65 (19-06-1632)

Schamel bezit ?

Een boekje (uitgetypte  versie van RAZE 3622) met boedelrekeningen van de Weeskamer uit het tweede kwart van de Gouden Eeuw geeft de indruk van schamel bezit. Vermoedelijk zijn de 14 hierin naast andere akten opgenomen inventarissen echter niet compleet genoteerd. Het aantal artikelen is doorgaans niet groter dan 20. Het zijn volgens de opschriften (delen van) openbaar verkochte boedels. Een eerste inventaris begint, zoals gebruikelijk met “Inden Keuken”, waarna er geen andere kamers volgen. Dat is nog geen sluitend bewijs. Want het kan om een éénkamerwoning zijn gegaan. De rekeningen zijn toch interessant genoeg, om hier wat meer aandacht te geven.

Over het geheel genomen noemen de inventarissen vaatwerk, meubels, en kleding. Twee zijn er duidelijk van een bedrijf. Een weverij en een boerderij. In twee inventarissen wordt een naaikorf genoemd, in één een spinnewiel. In twee lijstjes worden wapens genoemd. In de ene een degen, in de ander een degen en een roer. Het roer was waarschijnlijk een vuurroer met lont, zoals afgebeeld op het volgend plaatje uit Jacob de Gheyn’s “Wapenhandelinghe van Roers, Musquetten ende Spiessen”. *


De degen was van Hans Jansen Wever. Uit zijn inventaris (fol 7, 1641) blijkt, dat hij inderdaad wever was. Op zijn lijstje komen onder meer een naaikorf, borstels, een wiel, een haspel, en kammen voor. Op de inventaris van Claes Reijnouts komt de degen met het roer voor. Waarschijnlijk maakten beide personen deel uit van het Wemeldings vendel van ’s Lands Wachten.

Het vaatwerk bestaat meestal uit potten, kannen (voor wijn, bier, en azijn), kroezen, en schotels. Hier en daar komt melkgerei voor (zoals een kaasvat, een karn, een botervat). De potten en kannen zijn van aardewerk, tin, of metaal (ijzer, misschien ook hier en daar koper). Verder worden een enkele keer een zoutvat en tinnen lepels genoemd.
Eén inventaris (Maeyken Jacobs, fol 10, 1641) roept vragen op over een mogelijk uitgeoefend bedrijf. Naast gebruikelijke stukken, als aarden schotels en bierkannen, worden hierin 38 el gewerkt laken, 43 pond tin, 28 pond garen genoemd. Verder nog spek, hammen, en worsten.
Een ander lijstje (Barbel Jaspers, fol 21, 1642) noemt twee bijzondere stukken. Een val en een “ratte wooningh”. De val was mogelijk in huis om een rat te vangen. Die werd in de kooi gestopt, als bescherming tegen de pest. De gedachte hierachter was, dat de pest overgedragen werd door vlooien, die eerder ratten dan mensen als gastheer kozen. Pas als ratten hierdoor dood waren gegaan, dreigde ook gevaar van overspringen op mensen.
Als meubels worden tafels (maar een enkele keer meer dan één), stoelen, voetenbankjes (schabellen), een kist, of een kast (casse) genoemd. Een enkele keer een spiegel, of een lepelbord. Verder lang niet altijd bedden, met dekens, en kussens. Op enkele lijstjes komen gordijnen en schouwrabatten voor. Als stukken bij de open haard ook kookpotten, hengelijzers, brandijzers, een doofpot, of een vuurscherm.
De kleding is eenvoudig. Voor mannen een hoed, hemden, hemdrok, rok, wambuis, kousen, schoenen. Voor vrouwen schorten, omslagdoeken, hemden, kousen. Deftiger vrouwen (Lysbeth Coenraets, fol 26, 1643) droegen een kaphoed, huik, keurs, kiel (schabbe), mantel, rok, schort. Lysbeth bezat  een uitgebreide garderobe. Kledingstukken van verschillende kleur (zwart, blauw, rood), ook van zijde (caffa), en met boorden en passementen. Bijzonder kledingstuk uit de boedel was een mof, om de handen in de winter warm te houden. Verder werden nog enkele zilveren sieraden verkocht (portefraes, haeck ende keten, rieme). Uit een andere boedel van een vrouw, blijkbaar ook uit de betere kringen (Lysbeth Claes, fol 66, 1647), werden muilen, schoenen, een linnen kiel, gehaakte mutsen met kant, en gewone witte mutsen aangeboden.
Een indruk van de kleding in de 18e eeuw geven de volgende foto's.


In de inventaris van een "hoeve" voor Schoudee  (Mels Adriaens, fol 13, 1641) wordt, naast wat huisraad, vee genoemd, voer, en werktuigen. Als vee 8 koeien, 2 paarden, een zeug met 3 biggen, 8 schapen, en nog apart een kalfje. Aan voer “meijekruijt” (?) en hooi. Als dekmateriaal gleu en riet. De gereedschappen waren zeven (wannen en trijfels), dorsvlegels, grepen, en mestvorken. Het was blijkbaar een gemengd bedrijfje. In de Overloper van 1624 komt Mels Adriaens niet herkenbaar voor. De hoek voor Schoudee was gedeeltelijk door het leggen van een inlaag ongeschikt voor bewerking geworden. Buitengedijkt, en vergraven om grond te krijgen voor de inlaagdijk (287 R uitgeslagen, 2 G 110 R berooft, schotbaar 20 G 293 R).

* Gepubliceerd in Historisch Jaarboek voor Zuid- en Noordbeveland No. 16 (1990).